Art. 53 SOLAS, Bijzondere vereisten voor de machine-installaties, de ketels en de elektrische installaties
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
1. De bijzondere vereisten voor de machine-installaties, de ketels en de elektrische installaties dienen ten genoegen van de Administratie te zijn en dienen ten minste de in dit Voorschrift vervatte vereisten te omvatten.
2. De elektrische hoofdkrachtbron dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:
2.1. Wanneer het elektrisch vermogen normaal kan worden geleverd door één generator, dienen geschikte inrichtingen aanwezig te zijn om de belasting te verlagen, ten einde te verzekeren dat de voeding van voorzieningen die zijn vereist voor de voortstuwing en de besturing, alsmede voor de veiligheid van het schip, in stand blijft. Ingeval de in bedrijf zijnde generator onklaar raakt, dienen passende voorzieningen te worden getroffen voor het automatisch aanzetten en het inschakelen op het hoofdschakelbord van een reservegenerator met voldoende vermogen om de voortstuwing en de besturing mogelijk te maken, alsmede de veiligheid van het schip te verzekeren, terwijl de essentiële hulpwerktuigen, met inbegrip van - waar noodzakelijk - de hiermede samenhangende functies, automatisch opnieuw in bedrijf worden gesteld. De Administratie kan voor een schip van minder dan 1.600 ton vrijstelling van deze eis verlenen, indien een en ander onuitvoerbaar wordt geacht.
2.2. Indien het elektrisch vermogen normaliter wordt geleverd door meerdere generatoren die te gelijker tijd parallel werken, dienen voorzieningen te zijn getroffen, bijvoorbeeld door verlaging van de belasting, om te verzekeren dat, ingeval één van deze generatoren uitvalt, de overige in bedrijf blijven zonder dat zij overbelast raken, ten einde de voortstuwing en de besturing mogelijk te maken en de veiligheid van het schip te verzekeren.
3. Wanneer voor andere hulpwerktuigen, die essentieel zijn voor de voortstuwing, reserve-installaties zijn vereist, dienen automatische overschakelingsvoorzieningen te zijn aangebracht.
4. Automatisch bedienings- en alarmsysteem.
4.1. Het bedieningssysteem dient zodanig te zijn dat de voorzieningen die nodig zijn voor de werking van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en bijbehorende hulpwerktuigen, worden gewaarborgd door middel van de noodzakelijke automatische inrichtingen.
4.2. Bij automatische overschakeling dient een alarm te worden gegeven.
4.3. Er dient een alarmsysteem voor alle belangrijke drukken, temperaturen en vloeistofniveaus en andere essentiële parameters te zijn aangebracht, dat voldoet aan het bepaalde in Voorschrift 51.
4.4. Er dient een centrale bedieningsplaats te zijn aangebracht, waar zich de noodzakelijke alarmborden bevinden waarop elk alarm wordt aangegeven.
5. Er dienen middelen te zijn aangebracht om de aanzetluchtdruk op het vereiste niveau te houden wanneer er voor de hoofdvoortstuwing gebruik wordt gemaakt van verbrandingsmotoren.