Art. 9 Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing

Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing

1. De Staten die Partij zijn, verlenen elkander de grootst mogelijke mate van rechtshulp in verband met vervolgingen ingesteld terzake van een van de in artikel 4 bedoelde delicten, met inbegrip van het verstrekken van alle te hunner beschikking staand bewijsmateriaal dat voor de vervolging nodig is.

2. De Staten die Partij zijn, kwijten zich van hun verplichtingen ingevolge het eerste lid van dit artikel in overeenstemming met eventueel tussen hen bestaande verdragen inzake wederzijdse rechtshulp.

Vorige artikelen

Volgende artikelen