Art. 12 Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, TERUGKEER VAN HET KIND
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen
Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de Verdragsluitende Staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.
De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.
Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat redenen heeft om aan te nemen dat het kind naar een andere Staat is meegenomen, kan zij de procedure schorsen of het verzoek tot terugkeer van het kind afwijzen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:296
- Hof Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3025
- Hof Den Haag 12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2625
- Rb. Midden-Nederland 5 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4305
- Hof 's-Gravenhage 12 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ3746
- Hof Den Haag 11 april 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:759
- Hof Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:23
- Hof Den Haag 22 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2254
- Hof Den Haag 6 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:246