Rb. Midden-Nederland 5 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4305
Weigeringsgronden artikel 23 Verordening Brussel II Bis. In het kader van de echtscheiding tussen partijen is in Roemenië in hoger beroep in 2015 het hoofdverblijf van de minderjarige bij vader in Roemenië bepaald. Minderjarige verblijft sinds oktober 2015 bij moeder in Nederland. Moeder procedeert in Roemenië om het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar te krijgen. Het gerechtshof in Roemenië heeft eind 2017 het verzoek van de moeder om het hoofverblijf bij haar te bepalen alsnog afgewezen. Kan vader deze Roemeense beslissing hier in Nederland ten uitvoer leggen of moet erkenning van de beslissing worden geweigerd? Voorzieningenrechter overweegt dat erkenning en tenuitvoerlegging van deze Roemeense beslissing inhoudt dat minderjarige zal moeten worden teruggeleid naar Roemenië, terwijl dat voor haar – gegeven alle omstandigheden - een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling en een ernstige schending van haar persoonlijke leven oplevert. Deze ernstige schending van het belang en de fundamentele rechten van de minderjarige is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de Nederlandse openbare orde. Exequatur verzoek vader afgewezen, verzoek moeder weigering erkenning toegewezen. De rechtbank bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarige vervolgens bij moeder in Nederland. Partijen blijven met het gezamenlijk ouderlijk gezag belast, verzoeken over zorgverdeling aangehouden.
De uitspraak op rechtspraak.nl