Art. VIII WTO, Monopolies en exclusieve dienstverleners

Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)

1. Ieder Lid ziet erop toe dat een dienstverlener met een monopolie op zijn grondgebied, bij de verlening van een dienst op de markt waarop hij een monopolie heeft, niet handelt op een wijze die strijdig is met de verplichtingen van dat Lid ingevolge artikel II en zijn specifieke verbintenissen.

2. Indien een dienstverlener met een monopolie van een Lid, direct of via een gelieerd bedrijf, concurreert voor de verlening van een dienst die niet onder zijn monopolierechten valt en waarvoor dat Lid specifieke verbintenissen is aangegaan, ziet dat Lid erop toe dat die dienstverlener geen misbruik van zijn monopoliepositie maakt om op zijn grondgebied in strijd met deze verbintenissen te handelen.

3. Op verzoek van een Lid dat redenen heeft om aan te nemen dat een dienstverlener met een monopolie van een ander Lid in strijd met lid 1 of lid 2 handelt, kan de Raad voor de Handel in Diensten het Lid dat deze dienstverlener heeft opgericht, in stand houdt of vergunning verleent, vragen specifieke inlichtingen over de desbetreffende transacties te verstrekken.

4. Indien een Lid na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst monopolierechten tot verlening van een onder zijn specifieke verbintenissen vallende dienst toekent, meldt dat Lid dit ten laatste drie maanden voor de voorgenomen datum van effectieve verlening van de monopolierechten bij de Raad voor de Handel in Diensten aan en zijn de bepalingen van artikel XXI, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

5. Dit artikel is tevens van toepassing op exclusieve dienstverleners indien een Lid, formeel of feitelijk, a. een klein aantal dienstverleners opricht of daaraan vergunning verleent, en b. de mededinging tussen hen op zijn grondgebied aanmerkelijk verhindert.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen