Art. 49 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen, Bepalingen die in het bijzonder betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een ontzetting
Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
1. Indien een verzoek tot tenuitvoerlegging van een ontzetting is gedaan, kan daaraan slechts gevolg worden gegeven als de wet van de aangezochte Staat het opleggen van een ontzetting voor een dergelijk strafbaar feit toelaat.
2. De met de zaak belaste rechter beoordeelt de opportuniteit van de tenuitvoerlegging van de ontzetting op het grondgebied van zijn land.
Vorige artikelen
- Artikel 44 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 45 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 46 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 47 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 48 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
Volgende artikelen
- Artikel 50 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 51 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 52 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 53 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
- Artikel 54 Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen