Art. 41 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, Slotbepalingen
Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
1. Een Verdragsluitende Staat kan op het ogenblik van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding verklaren gebruik te maken van een of meer voorbehouden vermeld in Bijlage I of een verklaring afleggen overeenkomstig Bijlage II van dit Verdrag.
2. Een Verdragsluitende Staat kan een voorbehoud of verklaring, door hem gemaakt krachtens het voorgaande lid, geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, welke verklaring van kracht wordt op de datum van ontvangst.
3. De Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag mag de naleving van deze bepaling door een andere Verdragsluitende Staat niet eisen; hij kan echter, als zijn voorbehoud beperkt of voorwaardelijk is, de naleving van de bepaling eisen voor zover hij zich daaraan gebonden heeft.
Vorige artikelen
- Artikel 36 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 37 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 38 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 39 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 40 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
Volgende artikelen
- Artikel 42 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 43 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 44 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 45 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
- Artikel 46 Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging