Art. 21 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Aangifte tot het uitlokken van een strafvervolging
Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
1. Elke aangifte van een Verdragsluitende Partij welke tot strekking heeft het instellen van een strafvervolging voor de rechter van een andere Partij, wordt door het Ministerie van Justitie van de ene Partij tot het Ministerie van Justitie van de andere Partij gericht. De Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel gebruik maken van de bevoegdheid voorzien in het zesde lid van artikel 15.
2. De aangezochte Partij deelt de verzoekende Partij mede welk gevolg aan deze aangifte is gegeven en doet een afschrift van de beslissing welke in de zaak is genomen aan de verzoekende Partij toekomen.
3. Het bepaalde in artikel 16 is van toepassing op aangiften gedaan krachtens het eerste lid van dit artikel.
Artikelen die hiernaar verwijzen
Uitspraken die dit artikel aanhalen
Vorige artikelen
- Artikel 16 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 17 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 18 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 19 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 20 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
Volgende artikelen
- Artikel 22 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 23 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 24 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 25 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken
- Artikel 26 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken