Rb. Oost-Brabant 20 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6520

Vervolging voor overtreding van primair artikel 6 Wegenverkeerswet en subsidiair artikel 5 Wegenverkeerswet in verband met een verkeersongeval in Kroatië. Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie voor het subsidiair ten laste gelegde omdat Nederland geen rechtsmacht heeft. Vrijspraak van het primair ten laste gelegde omdat niet bewezen kan worden verklaard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.313140.22
Datum uitspraak: 20 september 2023
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 september 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 juli 2023.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 7 augustus 2021 te Radošić, gemeente Lećevica, althans in Republiek Kroatië,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot), daarmede rijdende over de weg, te weten de autosnelweg A1, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

(aldaar) bij het naderen van en/of in een overzichtelijke en/of lichte bocht op/in de weg (A1),

- tijdens het besturen van de personenauto in slaap te vallen en/of vermoeid te zijn en/of (gedurende enige tijd) zijn aandacht niet steeds op de weg te hebben/houden en/of niet voldoende en/of voortdurend aandacht te hebben voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate te letten en/of blijven letten op de (direct) voor verdachte gelegen weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of

- de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet, althans niet voortdurend, onder controle te hebben en/of

- (vervolgens) van de rijbaan te raken en/of (deels) op de vluchtstrook (naast de rijbaan) terecht te komen en/of te rijden en/of (daarbij) niet het verloop van de weg waarop zijn motorrijtuig zich bevond te volgen en/of

- een op de vluchtstrook stilstaande personenauto (merk BMW) niet en/of niet tijdig op te merken en/of

- (vervolgens) in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze te regelen dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (A1) en/of de naast die weg gelegen vluchtstrook kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- (vervolgens) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto achterop en/of tegen een op de vluchtstrook stilstaande personenauto (merk BMW) te rijden/botsen,

waardoor een ander (genaamd [betrokkene] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een diafysaire fractuur van de ellepijp, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 7 augustus 2021 te Radošić, gemeente Lećevica, althans in Republiek Kroatië,

als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot), daarmee rijdende op de weg, te weten de autosnelweg A1,

(aldaar) bij het naderen van en/of in een overzichtelijke en/of lichte bocht op/in de weg (A1),

- tijdens het besturen van de personenauto in slaap is gevallen en/of vermoeid was en/of (gedurende enige tijd) zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad/gehouden en/of niet voldoende en/of voortdurend aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de (direct) voor verdachte gelegen weg en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of

- de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet, althans niet voortdurend, onder controle heeft gehad en/of

- (vervolgens) van de rijbaan is geraakt en/of (deels) op de vluchtstrook (naast de rijbaan) is terechtgekomen en/of heeft gereden en/of (daarbij) niet het verloop van de weg waarop zijn motorrijtuig zich bevond heeft gevolgd en/of

- een op de vluchtstrook stilstaande personenauto (merk BMW) niet en/of niet tijdig heeft opgemerkt en/of

- (vervolgens) in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem, verdachte, bestuurde personenauto niet op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was die personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg (A1) en/of de naast die weg gelegen vluchtstrook kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- (vervolgens) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto achterop en/of tegen een op de vluchtstrook stilstaande personenauto (merk BMW) is gereden/gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie overweegt de rechtbank als volgt.

De Kroatische autoriteiten hebben op 5 mei 2022 aan Nederland verzocht de strafvervolging over te nemen op grond van artikel 21 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zowel verdachte als het slachtoffer de Nederlandse nationaliteit hebben en beiden het Kroatische grondgebied hebben verlaten.

Artikel 21 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken regelt de aangifte door de ene verdragspartij die tot strekking heeft het instellen van een strafvervolging voor de rechter van een andere verdragspartij. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de EU-rechtshulpovereenkomst kan een dergelijke aangifte rechtstreeks door de bevoegde rechterlijke autoriteiten tot elkaar worden gericht. Deze wijze van overdracht levert geen zogeheten (van die overdracht) afgeleide rechtsmacht op.

Anders dan door de officier van justitie is aangevoerd, kan de Nederlandse rechtsmacht niet worden gebaseerd op artikel 7 van het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging, reeds omdat in dit geval de overdracht van strafvervolging niet is gebaseerd op dat verdrag.

De rechtbank dient daarom te beoordelen of Nederland op grond van het Wetboek van Strafrecht (originaire) rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit, artikel 6 van de Wegenverkeerswet, betreft een misdrijf zodat de officier van justitie ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit in zijn vervolging kan worden ontvangen.

Het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, betreft een overtreding, zodat ten aanzien van dat feit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is.

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert dat aan verdachte een geldboete van € 1000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit vrijspraak van feit 1 primair aangezien niet is vast te stellen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Bovendien is er onvoldoende informatie over de toedracht van het ongeval om de ondergrens van de aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet vast te stellen.

Het oordeel van de rechtbank.

Vaststaande feiten:

Op 7 augustus 2021 vond in Radošić, gemeente Lećevica, Republiek Kroatië, op de rijbaan van de snelweg A1, ten hoogte van 360 km + 100 meter, een verkeersongeval plaats met gewonden en materiële schade. Hierbij was een personenauto van het merk Peugeot met kenteken [kenteken 1] betrokken met daarin [verdachte] , (hierna: verdachte) als bestuurder en [betrokkene] als passagier. Daarnaast was een personenauto van het merk BMW met kenteken [kenteken 2] bij het ongeval betrokken met daarin [slachtoffer 1] als bestuurder en [slachtoffer 2] als passagier.

De verdachte reed als bestuurder van de Peugeot op de noordelijke rijbaan en op de rechterrijstrook van de snelweg A1, van oost naar west (Split naar Ibenik). [betrokkene] zat naast hem voorin de auto

Op de plaats van het ongeval is er een lichte, overzichtelijke bocht naar rechts, en de weg voert daar licht omlaag tot 8%. Verdachte is met zijn voertuig op de vluchtstrook van de snelweg A1 terecht gekomen waar hij met de rechter voorkant van zijn voertuig is gebotst tegen de linker achterkant van de BMW die op de noordelijke vluchtstrook van de Al snelweg stond met de voorkant van de auto wijzend naar het westen. Na de botsing van de twee voertuigen werd de Peugeot naar links geslingerd, waar hij om zijn as draaide en tot stilstand kwam op de linker rijbaan, de noordelijke rijstrook van de snelweg A1, met zijn voorzijde naar het zuidoosten gericht. De BMW werd naar het noordwesten geslingerd, waar deze met de rechterachterzijde tegen een metalen vangrail aan de noordzijde van de Al snelweg botste.

Onder andere de passagier van de Peugeot, [betrokkene] , heeft bij het ongeval letsel opgelopen aan zijn ellepijp.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 7 september 2021 verklaard dat het klopt dat hij de auto bestuurde op 7 augustus 2021 en dat hij achter het stuur in slaap is gevallen. Hij had het de avond ervoor wel wat later gemaakt, maar hij heeft geslapen en hij achtte zichzelf in staat de auto te besturen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. In de tenlastelegging is deze schuld uitgedrukt met het verwijt dat verdachte “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam” heeft gehandeld. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of zijn rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorvoertuig wordt geëist.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte is, ondanks dat hij die nacht ervoor kort geslapen heeft, toch in de auto gestapt. Van bestuurders wordt echter verwacht dat zij voldoende uitgerust zijn als zij aan het verkeer deelnemen. Verdachte is vervolgens in slaap gevallen achter het stuur, waardoor hij op de vluchtstrook is beland en tegen een andere auto is gebotst. Hierdoor heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank ‘aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam gereden’.

Voorts dient te worden beoordeeld of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is vast te stellen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Bovendien is er onvoldoende bewijs waaruit blijkt dat er sprake zou zijn van zodanig lichamelijk letsel dat hieruit tijdelijke verhindering van normale bezigheden zou zijn ontstaan. De rechtbank beschikt enkel over een medische verklaring waaruit blijkt dat het slachtoffer een breuk in de ellepijp heeft opgelopen. Onvoldoende duidelijk is geworden wat de behandeling en herstelduur is geweest. Ook is niet gebleken dat er sprake is geweest van een verhindering in normale bezigheden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. A.E. de Kryger en mr. S.A.J. Louwers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

en is uitgesproken op 20 september 2023.

Aangehaalde artikelen