Art. 11 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, Ademonderzoek
Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
1. Indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte hoger is dan op grond van artikel 8, tweede lid, onder a, of derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder a, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, onder a, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, onder a, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, onder a, van de Wet luchtvaart is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.
2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het ademonderzoek direct aan de verdachte mede en wijst hem, indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger is dan op grond van artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart is toegestaan, erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft.
3. Het tegenonderzoek geschiedt door middel van een bloedonderzoek. De artikelen 12 tot en met 16 en 19, derde tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de verdachte direct nadat hij op het recht op tegenonderzoek is gewezen aan de opsporingsambtenaar kenbaar dient te maken dat hij van dat recht gebruikmaakt, en het bloed van de verdachte direct daarna wordt afgenomen, en
b. de bloedafname voor rekening van de verdachte geschiedt en niet wordt gedaan dan nadat daarvoor een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag is betaald.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:92
- Conclusie A-G Keulen 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1288
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11401
- Conclusie A-G Paridaens 23 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:632
- Conclusie A-G Knigge 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1319
- Rb. Midden-Nederland 12 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5002
- Rb. Gelderland 25 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10358
- Rb. Gelderland 13 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5429
- Rb. Den Haag 4 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10054
- Rb. Amsterdam 19 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2629
- Conclusie 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:433
- Conclusie A-G Paridaens 20 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:837
- Conclusie A-G Keulen 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:226
- Conclusie A-G Bleichrodt 19 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:484
- Hof Den Haag 2 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1776
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5497
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6627
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6494
- Hof Amsterdam 20 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1971
- Hof Amsterdam 4 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4945