Art. 3.3 Bor, Inrichting en mijnbouwwerk
1. Gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op:
a. elke aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit als bedoeld in bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334),
b. overige aanvragen die betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot inrichtingen die behoren tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C, is bepaald, voor zover het betreft activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
2. Onze Minister is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:
a. activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.3 van bijlage I, onderdeel C;
b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet, met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.1 van bijlage I, onderdeel C;
c. een categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie die in bijlage I, onderdeel C, is aangewezen en die geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie, tenzij het vierde lid van toepassing is.
4. Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:
a. een inrichting die in hoofdzaak een mijnbouwwerk is, en
b. mijnbouwwerken, niet zijnde inrichtingen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1765
- ABRvS 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:575
- ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2233
- ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:441
- ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3607
- ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1878
- ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3765
- ABRvS 28 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3612
- Conclusie A-G Keulen 23 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:231
- ABRvS 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3488
- ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:968
- Rb. Oost-Brabant 3 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:539
- Rb. Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7066
- ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:240
- ABRvS 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5905
- Rb. Zeeland-West-Brabant 24 november 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:7839
- Rb. Rotterdam 23 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3924
- Rb. Overijssel 7 december 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4852
- Rb. Oost-Brabant 19 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4983
- Rb. Limburg 15 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:159