ABRvS 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5905

Besluit waarbij verweerder verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van een biochemisch bedrijf heeft afgewezen. Met verwijzing naar de uitspraak van dezelfde datum, in zaak nr. 201112427/1/A4 (LJN: BW5909), overweegt de Afdeling dat ten tijde van het nemen van de beslissing op het verzoek om handhaving, het college van gs van Gelderland bevoegd was vergunning te verlenen voor onderhavige inrichting. Uit art. 18.2, lid 1, aanhef en onder a, van de Wm volgt dat op dat moment ook de bevoegdheid tot handhaving bij het college van gs van Gelderland berustte. Het primaire besluit is derhalve onbevoegd genomen en had bij het besluit op bezwaar moeten worden herroepen. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd wegens strijd met art. 18.2, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, in samenhang met art. 8.2, lid 1 en lid 2, van die wet en art. 3.1 van en bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, nu uit het onder 2.1 weergegeven overgangsrecht volgt dat na herroeping van het besluit van 3 maart 2010 op het verzoek om handhaving moet worden beslist door het bestuursorgaan dat daartoe op grond van de Wabo bevoegd is. De Afdeling stelt vast dat de inrichting geen inrichting is als bedoeld in categorie 8, onderdeel 8.3, onder j en k, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht. Nu deze ook niet behoort tot een andere categorie ten aanzien waarvan gs het aangewezen bevoegde gezag zijn, is het college van gs van Gelderland niet bevoegd om op een onder de Wabo ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning van vergunninghouder te beslissen en evenmin op een onder de Wabo ingediend verzoek om handhaving van voorschriften die voor haar inrichting gelden. Onder de Wabo is het college van b&w hiertoe bevoegd. Dit betekent dat het college na herroeping van het primaire besluit, opnieuw op het handhavingsverzoek van appellant zou moeten beslissen. Niet in geschil is dat vergunninghouder in strijd handelt met de eerder in 1994 verleende vergunning, zodat het college ter zake handhavend kan optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. (…) De Afdeling overweegt dat voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie in de regel voldoende is dat een vergunning is aangevraagd die strekt tot legalisatie van de desbetreffende niet vergunde activiteiten of situatie. Gegeven de aanvraag, die onder meer strekt tot legalisering van de huidige activiteiten binnen de inrichting, en de terinzagelegging van de ontwerpbestemmingsplannen, stelt het college zich terecht op het standpunt dat thans concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor handhavend optreden bestaat dan ook geen aanleiding meer. Nu het college na herroeping van het primaire besluit wederom op het handhavingsverzoek zou moeten beslissen en het daarbij opnieuw en op goede gronden tot afwijzing zou komen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van art. 8:72, lid 3 Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen