Art. 2 Wilg, Algemene bepalingen
Wet inrichting landelijk gebied (Wilg)
1. Gedeputeerde staten kunnen de op grond van de hoofdstukken 4 tot en met 8 van deze wet aan hen toekomende bevoegdheden delegeren aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Provinciewet, of aan een ander orgaan.
2. De Dienst landelijk gebied staat desgevraagd gedeputeerde staten en andere openbare lichamen bij: Bijstand wordt uitsluitend verleend na instemming van Onze Minister. Onze Minister kan aan zijn instemming voorwaarden en beperkingen verbinden.
a. in de uitoefening van de bij of krachtens deze of enige andere wet aan hen toegekende en op landinrichting betrekking hebbende bevoegdheden, en
b. in de uitvoering van ander beleid gericht op de verbetering van de kwaliteit van het landelijke gebied, voor zover het betreft inrichting, gebruik en beheer van daarvoor specifiek in aanmerking komende delen van het landelijke gebied.
3. Het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers besluit na overleg met gedeputeerde staten, onderscheidenlijk het bestuur van het openbaar lichaam omtrent de door de dienst te leveren bijstand bij de uitoefening van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde bevoegdheden en de uitvoering van het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde beleid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Valk 1 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1149
- Rb. Overijssel 25 juni 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:3557
- Conclusie A-G Valk 5 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:952
- Conclusie A-G Valk 1 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1148
- Conclusie A-G Hammerstein 4 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BU3348
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4552