Art. 56a Wet marktordening gezondheidszorg, Vaststelling van bijdragen en vereffeningen
Wet marktordening gezondheidszorg
1. De zorgautoriteit kan een beschikbaarheidbijdrage toekennen ten behoeve van de beschikbaarheid van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van deze wet met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen. Een zorgaanbieder kan de beschikbaarheidbijdrage bij het Zorginstituut in rekening brengen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds dan wel het Fonds langdurige zorg. Voor een beschikbaarheidbijdrage komen uitsluitend vormen van zorg in aanmerking waarvan de kosten niet of niet geheel zijn toe te rekenen naar, of door middel van tarieven in de zin van deze wet in rekening te brengen zijn aan, individuele ziektekostenverzekeraars of verzekerden, of waarvan de bekostiging bij een zodanige toerekening dan wel een zodanige tarifering marktverstorend zou werken, en die niet op andere wijze worden bekostigd.
2. De zorgautoriteit past het eerste lid toe:
a. op aanvraag van een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar;
b. ambtshalve, indien een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat vordert.
3. De toekenning op grond van het eerste lid laat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarieven onverlet.
4. Een aanvraag om toepassing van het eerste lid bevat een voorstel voor:
a. het in rekening te brengen bedrag;
b. degene door wie het bedrag in rekening wordt gebracht.
5. De zorgautoriteit kan aan de toekenning van het bedrag voorschriften of beperkingen verbinden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen, kan worden bepaald in welke vorm de zorgautoriteit de beschikbaarheidbijdrage kan toekennen.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of en in welke gevallen Onze minister of de zorgautoriteit, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften of beperkingen, zorgaanbieders kunnen aanwijzen die worden belast met een dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie of een dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
8. Bij de krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan voor een daarbij aangewezen vorm van zorg worden bepaald dat de zorgautoriteit geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt dan nadat Onze Minister daarvoor een verklaring van geen bezwaar heeft verleend.
9. Onze Minister kan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het achtste lid slechts onthouden vanwege strijd met het recht of het algemeen belang.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:41
- CBb 14 februari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:68
- Rb. Zeeland-West-Brabant 7 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:41
- Rb. Zeeland-West-Brabant 15 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3855
- Rb. Rotterdam 29 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7287
- CBb 23 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:325
- ABRvS 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1014
- Rb. Noord-Nederland 27 januari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:279
- Rb. Den Haag 27 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9542
- CBb 28 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:34
- CBb 26 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:437
- CBb 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:928
- CBb 26 mei 2020, ECLI:NL:CBB:2020:356
- CBb 7 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:404
- CBb 4 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:226