Art. 8 Meetregeling luchtkwaliteit 2005, Monsterneming
Meetregeling luchtkwaliteit 2005
Monsterneming bij de in de artikelen 6 en 7 bedoelde meetpunten gebeurt, voor zover mogelijk, op zodanige wijze dat:
a. de lucht rond de inlaatbuis vrij kan stromen en er geen voorwerpen zijn die de luchtstroom in de omgeving van de monsternemer beïnvloeden;
b. de hoogte van de inlaatbuis tussen anderhalf en vier meter boven de grond ligt;
c. door situering van de inlaatbuis wordt voorkomen dat de uitstoot van bronnen rechtstreeks en zonder menging met de buitenlucht in de inlaatbuis terechtkomt;
d. de uitlaatbuis op een zodanige plaats is gesitueerd dat de lucht daaruit niet opnieuw in de inlaatbuis kan komen.