Art. 44 Ub Wjz, Het uitvoeren van de ondertoezichtstelling

Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (Ub Wjz)

1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd.

2. In deze mededeling worden tevens opgenomen:

a. de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,

b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens afwezigheid vervangt,

c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling en

d. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 259, eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan.

3. De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker aanwijzen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen