Rb. Roermond 30 juni 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM9884
De beslissing te weigeren tot vervanging van de gezinsvoogd over te gaan is niet op rechtsgevolg gericht. De beslissing is gebaseerd op artikel 44, derde lid van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg. Nu de wettelijke taken in het kader van de ondertoezichtstelling zijn opgedragen aan de gezinsvoogdij-instelling en niet aan de gezinsvoogd, heeft een gezinsvoogd geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid. Die beslissingsbevoegdheid ligt formeel bij de instelling en is niet aan de gezinsvoogd gedelegeerd of gemandateerd. De beslissing om de gezinsvoogd niet te vervangen heeft derhalve geen directe invloed op de rechtspositie van de kinderen van eisers of eisers zelf. Daardoor is de afwijzende beslissing niet op rechtsgevolg gericht en is geen sprake van een bevoegdheid om de rechtspositie van eisers of hun kinderen eenzijdig te bepalen. De rechtbank acht ook overigens geen grond aanwezig om een beslissing als de onderhavige als een besluit te karakteriseren waartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. De invloed van een dergelijke beslissing op het leven van de met het gezag belaste ouder of voogd is weliswaar groot, maar de rechtbank stelt desalniettemin vast dat het stelsel van de ondertoezichtstelling en de rol van gezinsvoogdij-instelling met tal van waarborgen is omkleed. De wetgever heeft verder op een groot aantal onderdelen van de ondertoezichtstelling en de uitoefening van de voogdij in artikel 8:5 van de Awb, met verwijzing naar de bijlage bij de Awb, beroep op de bestuursrechter uitgezonderd. De wetgever lijkt daarmee een gesloten stelsel van rechtsmiddelen te hebben beoogd en heeft de rechtsbescherming bij de kinderrechter neergelegd. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl