Art. 4 Wtt, Vereisten voor een vergunning
Wet toezicht trustkantoren (Wtt)
De toezichthouder verleent een vergunning tenzij:
a. hij op grond van de voornemens of de antecedenten van de personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c, van oordeel is dat de betrouwbaarheid van een van deze personen niet buiten twijfel staat;
b. hij van oordeel is dat de geschiktheid van een of meer van de personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, onvoldoende is om het beroep of bedrijf van trustkantoor uit te oefenen;
c. hij van oordeel is dat de groep waartoe het trustkantoor behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering vormt of zou kunnen vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op het trustkantoor;
d. hij van oordeel is dat, gelet op hetgeen het trustkantoor ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdelen f en g, bij de aanvraag heeft overgelegd, het trustkantoor niet in staat zal zijn te voldoen aan de op grond van artikel 10 te stellen regels.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 4 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7391
- Rb. Rotterdam 2 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:4651
- Rb. Rotterdam 5 april 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB9873
- Rb. Rotterdam 20 juli 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BB4579
- Conclusie A-G Sinnige 17 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:684
- Conclusie A-G Sinnige 17 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:683