Art. 4 UHW, Taken van de huurcommissie
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW)
1. De huurcommissie heeft de in het tweede tot en met vijfde lid en in de artikelen 4a en 5 aangegeven taken.
2. De huurcommissie doet uitspraak:
0a. ingevolge artikel 7:248, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek over verhoging van de huurprijs;
a. ingevolge artikel 7:249 van het Burgerlijk Wetboek over de redelijkheid van de overeengekomen aanvangshuurprijs;
b. ingevolge artikel 7:253 van het Burgerlijk Wetboek over de redelijkheid van het voorstel tot verhoging van de huurprijs;
c. ingevolge artikel 7:254 van het Burgerlijk Wetboek over de redelijkheid van de huurprijs;
d. ingevolge de artikelen 7:255 en 7:255a van het Burgerlijk Wetboek over het bedrag van de verhoging van de huurprijs na de totstandkoming van voorzieningen, veranderingen of toevoegingen;
e. ingevolge artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek over de in rekening te brengen huurprijs bij vermindering van het woongenot als gevolg van een gebrek;
f. ingevolge artikel 7:258 van het Burgerlijk Wetboek over de huurprijs en het voorschotbedrag aan kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten indien tussen partijen slechts een prijs en niet een huurprijs is overeengekomen;
g. ingevolge artikel 7:260 van het Burgerlijk Wetboek over de betalingsverplichting met betrekking tot de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter en servicekosten;
h. ingevolge artikel 7:261 van het Burgerlijk Wetboek over het voorschotbedrag van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter;
i. ingevolge artikel 7:261a van het Burgerlijk Wetboek over de energieprestatievergoeding;
j. ingevolge artikel 54a, zesde lid, van de Woningwet over het voorstel tot huurverlaging als bedoeld in het eerste lid van dat artikel of het ontbreken daarvan.
3. De huurcommissie doet uitspraak in gevallen waarin als gevolg van een uitspraak als bedoeld in de artikelen 7:249 en 7:257 van het Burgerlijk Wetboek de in rekening te brengen huurprijs in verband met gebreken is verlaagd, omtrent het verholpen zijn van die gebreken.
4. De huurcommissie doet uitspraak indien ingevolge artikel 20, zesde lid, verzet is gedaan tegen een uitspraak van de voorzitter.
5. Indien de verhuurder een door de huurder bij hem schriftelijk ingediende klacht over de gedraging van de verhuurder in het kader van de door de verhuurder op basis van de tussen partijen geldende huurovereenkomst aan de huurder geleverde producten en verrichte diensten van de huurder niet binnen een redelijke termijn na indiening van die klacht inhoudelijk heeft behandeld dan wel indien de huurder niet instemt met de beoordeling van die klacht door de verhuurder, kan de huurder tot uiterlijk een jaar na het tijdstip waarop de gedraging van de verhuurder heeft plaatsgevonden de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen in het geschil dat voortvloeit uit die klacht. Een gedraging van een persoon die werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder, wordt aangemerkt als een gedraging van die verhuurder. Onder een gedraging wordt niet verstaan een gedraging ten aanzien van het toe- en afwijzen van een woonruimte, een wanbetaling, een huurbeëindiging of het afsluiten van nutsvoorzieningen.
6. De huurcommissie is niet bevoegd een uitspraak te doen indien het verzoek, bedoeld in het vijfde lid, betrekking heeft op:
a. een gedraging ten aanzien waarvan door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan,
b. een gedraging ten aanzien waarvan een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 19 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB3830
- Rb. Midden-Nederland 1 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:286
- Rb. Midden-Nederland 30 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5663
- Rb. Midden-Nederland 15 januari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7702
- Rb. Arnhem 19 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3423
- Rb. Amsterdam 11 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5684
- Rb. Amsterdam 26 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA2295
- Rb. Almelo 12 juli 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BR1514
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 3 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:983
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5666
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 8 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BY2599
- Conclusie A-G Niessen 9 juni 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV0437
- Conclusie A-G Niessen 9 juni 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV0434
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1563
- Hof Amsterdam 25 november 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3176
- Hof Amsterdam 25 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3478
- Hof Amsterdam 15 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0058
- Hof Amsterdam 25 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3497
- Hof Amsterdam 25 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3496