Art. 7:261 BW, Andere vergoedingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 (BW7)
1. Het voorschotbedrag dat de huurder krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak ter zake van de kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter verschuldigd is, mag, tenzij na het ingaan van de huur anders is overeengekomen, slechts worden verhoogd:
a. met ingang van de dag, volgend op het einde van de betalings-termijn waarin de overeengekomen uitbreiding van de levering van zaken of diensten heeft plaatsgevonden dan wel met ingang van de betalingstermijn met ingang waarvan die uitbreiding heeft plaats gevonden;
b. met ingang van de dag, volgende op de betalingstermijn, waarin het laatste overzicht, bedoeld in artikel 259, aan de huurder is verstrekt met dien verstande dat elk overzicht slechts eenmaal tot een verhoging mag leiden.
2. De huurder is gebonden aan een wijziging van de levering van zaken of diensten en het daarbij behorende gewijzigde voorschotbedrag, indien die wijziging betrekking heeft op zaken of diensten die slechts aan een aantal huurders gezamenlijk geleverd kunnen worden, en tenminste 70% van die huurders daarmee heeft ingestemd. Een huurder die niet met de wijziging heeft ingestemd, kan binnen acht weken na de schriftelijke kennisgeving van de verhuurder dat overeenstemming is bereikt met tenminste 70% van de huurders, een beslissing van de rechter vorderen omtrent de redelijkheid van het voorstel.
3. Indien het door de huurder verschuldigde voorschotbedrag aanzienlijk hoger is dan de te verwachten kosten voor nutsvoorzieningen met een individuele meter, kan de huurcommissie op verzoek van de huurder het voorschotbedrag verlagen tot een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot die kosten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 7 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3162
- Rb. Amsterdam 2 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1078
- Rb. Amsterdam 28 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7928
- Rb. Amsterdam 5 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6041
- Conclusie A-G Valk 29 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:76
- Hof Leeuwarden 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BP7495
- Rb. Rotterdam 17 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13350
- Rb. Den Haag 4 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6243
- Rb. Amsterdam 18 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1945
- Rb. Amsterdam 4 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2543
- Conclusie A-G Wissink 20 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1396
- Hof Den Haag 8 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1657
- Rb. Zeeland-West-Brabant 23 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2680
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 november 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:8124
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3803
- Rb. Zeeland-West-Brabant 15 november 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8542
- Rb. Zeeland-West-Brabant 14 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8764
- Rb. 's-Gravenhage 22 april 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4221
- Rb. Rotterdam 25 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8036
- Rb. Rotterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2798