Rb. Arnhem 19 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3423

Berekening definitieve huurtoeslag 2010 op € 2247 en bepaling dat eiseres € 201 aan voorschot moet terugbetalen. Woning is gelegen in een zogenaamd Centraal Wonen project. Vanaf maart 2003 tot juli 2010 heeft eiseres tevens de kamer B gehuurd. Vanaf 23 juli 2010 huurt eiseres de kamer, bekend als kamer N. Kamer B en kamer N zijn gelegen in hetzelfde woongebouw als de woning. Eiseres heeft over 2010 recht op huurtoeslag voor de woning. In geschil is of daarbij in aanmerking moet worden genomen de huur die eiseres in 2010 betaalde voor aanvankelijk kamer B en later kamer N. Uit het samenstel van de artt. 7:233, 7:234, 7:249, 7:253 en 7:254 van het Burgerlijk Wetboek in samenhang met art. 4 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte leidt de Rb. af dat de wetgever en regelgever er van uitgaan dat bij een zelfstandige woonruimte als bedoeld in art. 7:234 BW sprake kan zijn van vertrekken die buiten de woning zijn gelegen, maar die wel behoren tot de zelfstandige woonruimte als bedoeld in art. 7:234 BW. Gelet op de inhoud van de huurovereenkomst met betrekking tot kamer B en kamer N, en gelet op het feit dat die kamers zijn gelegen in hetzelfde woongebouw als de woning, binnendoor bereikbaar zijn en ten tijde van de huur door eiseres niet toegankelijk waren voor anderen, is de Rb. van oordeel dat in 2010 aanvankelijk kamer B en vervolgens kamer N tot de woonruimte behoorde die eiseres huurde, en dat sprake was van een woning als bedoeld in art. 11, lid 1, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Daarbij kan in het midden blijven of sprake was van een zelfstandige woonruimte of van een onvrije etage als bedoeld in art. 11, lid 1, aanhef en onder a van de Wht. Dat de huur in twee overeenkomsten is vastgelegd doet, gelet op de samenhang tussen die overeenkomsten, aan het voorgaande niet af. Omdat kamer B en vervolgens kamer N aangemerkt moet worden als behorend tot de gehuurde woning en eiseres op dat adres staat ingeschreven, kan de Rb. verweerder niet volgen in zijn standpunt dat wat betreft de kamer niet voldaan zou zijn aan art. 9, lid 1, aanhef en onder a, van de Wht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen