Art. 39i WJG, De verwerking van strafvorderlijke gegevens
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJG)
1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van het College van procureurs-generaal uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die strafvorderlijke gegevens in te zien en om de volgende informatie te verkrijgen:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorie van de gegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 39e, 39f en 39ga zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om verbetering, vernietiging of beperking van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens.
2. Het College van procureurs-generaal geeft op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken uitsluitsel, met uitzondering van het deel van het verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het College van procureurs-generaal kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende parketten strafvorderlijke gegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
3. Op het deel van een verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geeft het College van procureurs-generaal binnen vier weken uitsluitsel.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof 's-Hertogenbosch 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2537
- HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721
- ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:128
- ABRvS 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9254
- Hof Den Haag 9 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1099
- ABRvS 16 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2115
- Rb. Rotterdam 11 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7309
- Rb. Limburg 18 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:9516
- Conclusie A-G Lückers 8 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:939
- Conclusie A-G Lückers 8 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1062
- Hof Den Haag 21 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:796
- ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5739
- ABRvS 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:594
- Rb. Rotterdam 18 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7309
- Rb. Midden-Nederland 14 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4423
- Rb. Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12369
- Rb. Amsterdam 20 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5815
- ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3501
- ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:835
- ABRvS 25 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB0360