ABRvS 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5739
Bij besluit van 16 april 2020 heeft het College van procureurs-generaal de verzoeken van [appellanten] om inzage in hen betreffende verwerkte strafvorderlijke gegevens afgewezen. [appellanten] hebben het College bij brieven van 4 februari 2020 verzocht om inzage in hen betreffende strafvorderlijke gegevens die het Openbaar Ministerie in bezit heeft en heeft verwerkt. Zij willen controleren of de persoonsgegevens juist zijn en correct zijn verwerkt. De verzoeken zijn getoetst aan artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en artikel 39i van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het College heeft de documenten waarin de persoonsgegevens van [appellanten] staan ter inzage gegeven en ook verstrekt. Alle overige informatie is onleesbaar gemaakt, omdat dit geen persoonsgegevens van [appellanten] zelf zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College voldoende inzicht in de context van de verwerkte strafvorderlijke gegevens heeft gegeven. Het College hanteert niet een onjuiste of te enge uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen mede na kennisname van de ongelakte versie van de documenten.
De uitspraak op rechtspraak.nl