Art. 5 Regeling mandaat, volmacht en machtiging Inspectoraat-generaal VROM, Doorgeven mandaat, volmacht en machtiging
Regeling mandaat, volmacht en machtiging Inspectoraat-generaal VROM
1. De directeuren, inspecteurs en hun plaatsvervangers zijn bevoegd de aan de inspecteur-generaal krachtens artikel 3 van de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2002 verleende bevoegdheden inzake de voorbereiding en uitvoering van het door de Minister en Staatssecretaris bepaalde beleid uit te oefenen, voorzover:
a. deze betrekking hebben op het onder de verantwoordelijkheid van hun Directie of Inspectie ressorterende taakveld
b. die naar hun oordeel en te hunner verantwoordelijkheid niet door de directeur of inspecteur onder wie de betreffende functionaris ressorteert, of (voor zover van toepassing) door de (plaatsvervangend) inspecteur-generaal, onder wiens verantwoordelijkheid de directeur of inspecteur ressorteert, behoeven te worden uitgeoefend.
2. De directeuren en inspecteurs zijn niet bevoegd tot het beslissen op een bewaarschrift, als bedoeld in artikel 3 eerste lid onder b van de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2002, indien een van hen tevens het besluit waartegen het bezwaar zich richt, heeft genomen.