Art. 4.14 WSF 2000, Bijzondere omstandigheden
Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)
1. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.
2. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn, op aanvraag, verlengd met 5 jaren. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.
3. Indien een mbo-student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs of binnen de, op grond van het tweede lid, verlengde diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift.
4. Indien een mbo-student als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de mbo-student bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.
5. Onze Minister stelt op aanvraag van de mbo-student vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de mbo-student is ingeschreven.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 22 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3254
- CRvB 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1656
- Rb. Den Haag 27 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14998
- Rb. Den Haag 31 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1049
- CRvB 13 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2221
- CRvB 26 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:818
- CRvB 26 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2295
- CRvB 12 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1825
- CRvB 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1654
- Rb. Zeeland-West-Brabant 16 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3306
- Rb. Rotterdam 17 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8652
- Rb. Limburg 16 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:7023
- Rb. Gelderland 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7439
- Rb. Den Haag 29 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20742
- Rb. Den Haag 2 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22
- CRvB 2 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:858
- CRvB 27 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1820
- CRvB 18 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2109
- CRvB 11 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2067