CRvB 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1656
Vastgesteld wordt, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, dat appellante het diploma van een opleiding niveau 3 of 4 niet heeft behaald binnen de in artikel 4.9 van de Wsf 2000 genoemde termijn van tien jaar. Met de door appellante ingediende verklaring, bezien in samenhang met het door de huisarts ingevulde formulier medische informatie, is aangetoond dat appellante ten gevolge van bijzondere medische omstandigheden van tijdelijke aard een jaar studievertraging heeft opgelopen. Maar daarmee is niet gegeven dat de overschrijding van de diplomatermijn het directe gevolg is van deze bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard. Immers, de nominale studieduur voor de door appellante vanaf 1 augustus 2015 gevolgde opleiding is, rekening houdende met haar instroom in het tweede leerjaar, twee jaar. Dat betekent dat bij een aanvang van de opleiding op 1 augustus 2015 het voor appellante, ook zonder vertraging, in beginsel niet mogelijk was om vóór 1 april 2017, en dus binnen de diplomatermijn, het afsluitend examen van die opleiding te behalen. Ter zitting in hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij met de onderwijsinstelling, voor de start van de opleiding, heeft afgesproken dat zij een versneld traject kon volgen waardoor zij, met het oog op de diplomatermijn, al in februari 2017 het diploma zou kunnen behalen. Deze stelling vindt echter geen steun in de verklaring van de onderwijsinstelling. Appellantes stelling dat de gemeente het haar niet toestond om eerder dan per augustus 2015 met behoud van haar bijstandsuitkering te starten met de BBL-opleiding, daargelaten of een dergelijke weigering een bijzondere omstandigheid van tijdelijke aard in de zin van artikel 4.14 van de Wsf 2000 zou kunnen opleveren, mist een feitelijke onderbouwing.
De uitspraak op rechtspraak.nl