Art. 3.150 Wet IB 2001, Verliesverrekening
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)
1. Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en de negen volgende kalenderjaren.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit werk en woning mede verstaan verlies uit werk en woning in Nederland zoals bedoeld in artikel 7.2, vierde lid.
3. De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vierde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar.
4. Het derde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren.
5. De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten.
6. Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 was.
7. Het ondernemingsverlies dat met toepassing van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4534
- Conclusie A-G Niessen 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:567
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3301
- Hof Amsterdam 29 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3946
- Rb. Noord-Nederland 15 juni 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2400
- Conclusie A-G OVERGAAUW 7 december 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA9339
- Hof 's-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3988
- Hof Den Haag 19 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:462
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4048
- Hof Amsterdam 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3779
- Rb. 's-Gravenhage 6 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4438
- Rb. Noord-Holland 9 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7681
- Rb. Noord-Holland 12 september 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:8035
- Rb. Haarlem 31 mei 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BH2767
- Rb. Gelderland 5 juni 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4499
- Rb. Den Haag 28 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4289
- Rb. Breda 4 oktober 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BU4889
- Rb. Arnhem 21 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BI0223
- Conclusie A-G IJZERMAN 15 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX0942
- Conclusie A-G OVERGAAUW 25 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA9224