Art. 53 Ffw, De uitoefening van de jacht
1. Het is verboden te jagen: voorzover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders bepaald.
a. op wild waarop de jacht niet is geopend of in strijd met beperkingen waaronder krachtens artikel 46 de jacht is geopend;
b. met andere dan de tot jagen geoorloofde middelen, bedoeld in artikel 50, eerste lid;
c. met een geweer of een jachtvogel in een jachtveld dat niet voldoet aan de krachtens artikel 49 gestelde regels;
d. op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en de hemelvaartsdag;
e. op begraafplaatsen;
f. voor zonsopgang en na zonsondergang;
g. indien de grond met sneeuw is bedekt;
h. op wild dat zich ten gevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van het terrein;
i. op wild voorzover dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs;
j. op wild voorzover dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen;
k. op wild dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert;
l. binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild te lokken;
m. met het geweer in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen;
n. vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig;
o. vanaf of vanuit een vaartuig;
p. vanuit een luchtvaartuig;
q. met een geweer binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi;
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan de uitoefening van de jacht aan andere beperkingen dan bepaald in het eerste lid, worden gebonden voorzover dit noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, of indien dit noodzakelijk is in verband met de instandhouding van wild of de veiligheid.
3. Ieder, die door middel van een geregistreerde eendenkooi dieren, behorend tot soorten waarop met een eendenkooi mag worden gejaagd, heeft gevangen, is verplicht die dieren, tenzij zij na het vangen terstond worden gedood, onverwijld in vrijheid te stellen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593
- ABRvS 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5434
- Rb. Groningen 16 april 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BA2991
- Conclusie A-G Machielse 15 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0281
- ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4198
- ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4197
- ABRvS 10 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1791
- ABRvS 10 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1790
- ABRvS 18 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO3995
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 april 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2564
- Rb. Utrecht 25 juli 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5287
- Rb. Utrecht 25 juli 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5250
- Rb. 's-Hertogenbosch 4 april 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9096
- Rb. 's-Hertogenbosch 24 juli 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB0214
- Rb. 's-Gravenhage 21 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN9184
- Rb. Roermond 30 oktober 2003, ECLI:NL:RBROE:2003:AN9792
- Rb. Maastricht 27 februari 2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5724
- Rb. Leeuwarden 1 juni 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX7717
- Rb. Leeuwarden 27 maart 2003, ECLI:NL:RBLEE:2003:AF6440
- Rb. Leeuwarden 26 februari 2003, ECLI:NL:RBLEE:2003:AF6050