Conclusie A-G Machielse 15 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0281

OM-cassatie. Tussenarrest. Toelaatbaarheid gebruik “duivencarrousel” bij de jacht. Toegestaan lokmiddel (lokduif) of niet toegestaan mechanisch of electronisch lokinstrument. HR stelt prejudiciële vragen aan het BenGH over de uitleg van de Beschikking inz. vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht, van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie (de Beschikking). Verdachte is vrijgesproken voor het jagen met een ongeoorloofd middel, te weten een “duivencarrousel”, althans een mechanisch lokinstrument. Het hof heeft overwogen dat de “duivencarrousel” niet als een ongeoorloofd lokmiddel kan worden aangemerkt, nu het hier gaat om een bepaalde methode van gebruik van een geoorloofd lokmiddel, te weten een lokduif. ‘s Hofs uitgangspunt dat o.g.v. art. 50.1 Flora- en faunawet de inzet van lokduiven een in beginsel geoorloofd middel tot jagen is, is juist. O.g.v. die bepaling is uitsluitend het gebruik van levende lokduiven die blind of verminkt zijn, niet geoorloofd. Aan die bepaling kan niet worden ontleend dat het gebruik van dode, opgezette of van plastic of ander kunststof vervaardigde lokduiven niet geoorloofd zou zijn terwijl de wetsgeschiedenis mbt de Flora- en faunawet en haar voorlopers ook geen aanknopingspunt biedt dat niet levende lokduiven een tot jagen ongeoorloofd middel zouden zijn. Dit uitgangspunt strookt voorts met de art. 2 en 3 van de Beschikking. De vraag is evenwel of het i.c. als “duivencarrousel” aangeduide voorwerp als de door het hof bedoelde methode van gebruik van een lokduif moet worden aangemerkt of als een lokinstrument. Hoewel de Beschikking toelaat dat in de nationale wetgeving lokinstrumenten, mits niet mechanisch of electronisch, worden toegestaan, heeft de NL wetgever er van afgezien om in art. 50 Flora en faunawet enig lokinstrument als toegelaten middel tot de jacht op te nemen, terwijl een dergelijk instrument ook niet is genoemd in art. 5 Besluit beheer en schadebestrijding dieren (het Besluit). Nu ervan uit moet worden gegaan dat de NL wetgever bij de beantwoording van de vraag naar de toelaatbare middelen tot de jacht het begrippenkader van art. 2 en 3 van de Beschikking tot uitgangspunt heeft genomen, rijst de vraag of de duivencarrousel als een lokinstrument i.d.z.v. art. 2 Beschikking moet worden aangemerkt. Zou dat het geval zijn, dan zou de carrousel, ongeacht of het als mechanisch of electronisch heeft te gelden, als middel tot de jacht niet zijn toegelaten nu art. 50 Flora- en faunawet en art. 5 van het Besluit lokinstrumenten niet noemen. ’s Hofs opvatting zou dan getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De HR acht het noodzakelijk om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan BenGH: (a) Is de duivencarrousel aan te merken als een al dan niet mechanisch of electronisch lokinstrument a.b.i. art. 2 van de Beschikking? (b) Indien vraag (a) bevestigend wordt beantwoord, is de duivencarrousel i.c. een middel dat toelaatbaar is bij de jacht i.d.z.v. de Beschikking indien deze wordt gebruikt tot het doden van de houtduif in het kader van de bestrijding van schade aan land- en tuinbouwgewassen en dus wordt gebruikt ter verdelging?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen