Art. 46h Wrra, Ontslag en herplaatsing
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra)
1. De rechterlijk ambtenaar wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
2. Ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ontvangen. Van het bepaalde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.
3. Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1803
- Conclusie A-G Timmerman 10 februari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU7473
- HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1062
- Conclusie A-G Hofstee 14 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:465
- Hof 's-Hertogenbosch 16 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2183
- HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:713
- Hof 's-Hertogenbosch 2 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3079
- Rb. Den Haag 15 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12297
- Conclusie 23 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1261
- HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN5907
- Hof Amsterdam 4 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1133