Hof 's-Hertogenbosch 2 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3079

Inkomstenbelasting, box-3 heffing, hoorplicht, compromis. Belanghebbende is het niet eens met de aan hem opgelegde IB-aanslagen 2014 - 2020. Zijn klachten zien onder andere op de omvang van de box-3 heffing, schending van zijn hoorrecht en bevoegdheid van de rechtbank. Ook meent belanghebbende recht te hebben op een schadevergoeding. Het hof oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank is gedaan door een bevoegde rechter. De door belanghebbende bestreden uitspraak heeft derhalve rechtskracht. Het hof is voorts van oordeel dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden, alvorens uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016. Het hof wijst de zaken met betrekking tot deze jaren terug naar de inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels te horen en opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Daarbij heeft het hof met toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb bepaalt dat belanghebbende, indien hij beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar instelt, zulks bij het hof dient te doen (de judiciële lus). Het hof is verder van oordeel dat geen allesomvattend compromis tussen partijen is bereikt tijdens de zitting bij de rechtbank. Het hof volgt de stelling van belanghebbende derhalve niet dat de inspecteur niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Ten aanzien van de box-3 heffing voor de jaren 2017 – 2020 bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken