Art. 27 Uitv besl MRB 1994, Vrijstellingen
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitv besl MRB 1994)
1. De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10, 13, 14, 17, 19, 21, 23, 25 en 26, worden op verzoek verleend. De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, wordt voor vrachtauto’s en autobussen op verzoek verleend, indien de houder van het motorrijtuig niet reeds een verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, heeft overgelegd.
2. Ingeval voor een motorrijtuig een verzoek wordt ingediend om vrijstelling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit verzoek mede als verzoek om toepassing van de vrijstelling ingevolge artikel 25 onderscheidenlijk artikel 26 van dit besluit.
3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang van het tijdvak, onderscheidenlijk van het gebruik van de weg in Nederland met het motorrijtuig.
4. Bij het verzoek worden de bescheiden die van belang zijn voor de toepassing van de vrijstelling overgelegd, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
5. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vrijstelling werkt, tenzij in de beschikking anders is bepaald, terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
6. Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling, of indien het motorrijtuig wordt afgestoten, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
7. Indien niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan, trekt de inspecteur de vrijstelling in bij voor bezwaar vatbare beschikking.
8. Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het zesde lid, vervalt de vrijstelling op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.
9. Bij beëindiging van de vrijstelling wordt de belasting verschuldigd over het resterende gedeelte van het lopende tijdvak, met dien verstande dat voor motorrijtuigen die niet zijn geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, de belasting verschuldigd wordt vanaf de dag waarop de vrijstelling is beëindigd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1124
- Conclusie A-G Ettema 2 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:499
- Rb. 's-Gravenhage 9 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BH0121
- HR 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1125
- Hof 's-Gravenhage 25 april 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9467
- Conclusie A-G VAN HILTEN 2 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BP3858
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4219
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4218
- Hof Amsterdam 31 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:988
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4590
- Conclusie A-G IJzerman 30 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:667
- Hof 's-Hertogenbosch 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4288
- Hof 's-Hertogenbosch 20 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3306
- Hof Arnhem 8 november 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AU7319
- Hof Arnhem 26 oktober 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AA1353
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4088