Art. 7:440 BW, Agentuurovereenkomst
1. Ieder der beide partijen is bevoegd de kantonrechter te verzoeken de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond van:
a. omstandigheden die een dringende reden opleveren in de zin van artikel 439 lid 2;
b. verandering in de omstandigheden welke van dien aard is, dat de billijkheid eist dat aan de overeenkomst dadelijk of na korte tijd een einde wordt gemaakt.
2. Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid onder a en kan van deze omstandigheid de verweerder een verwijt worden gemaakt, dan is deze schadeplichtig.
3. Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van hetgeen is bepaald in het eerste lid onder b, dan kan hij aan een der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan bepalen dat deze in termijnen wordt betaald.
4. De behandeling vangt niet later aan dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
5. Indien de rechter de ontbinding uitspreekt, bepaalt hij op welk tijdstip de agentuurovereenkomst eindigt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7247
- Hof 's-Hertogenbosch 13 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1923
- Hof 's-Hertogenbosch 22 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3687
- Rb. Zwolle-Lelystad 23 februari 2006, ECLI:NL:RBZLY:2006:AV3068
- Rb. Rotterdam 18 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9451
- Rb. Rotterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13088
- Rb. Rotterdam 10 augustus 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6145
- Rb. Noord-Holland 17 april 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ8843
- Rb. Midden-Nederland 16 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4802
- Rb. Midden-Nederland 15 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4360
- Rb. Midden-Nederland 28 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3344
- Rb. Limburg 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:5890
- Rb. Limburg 18 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4777
- Rb. Leeuwarden 9 december 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BI0072
- Rb. Gelderland 29 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1906
- Rb. Den Haag 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23744
- Rb. Arnhem 30 augustus 2006, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ0862
- Rb. Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:320
- Rb. Amsterdam 7 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1643
- Conclusie A-G Langemeijer 31 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF1798