Art. 121 Wschw, De watersysteemheffing
1. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:
a. ter zake van ingezetenen als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel a: de woonruimte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte;
b. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel b: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare;
c. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel c: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare;
d. ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d: de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het kalenderjaar, waarbij het tarief wordt gesteld op een percentage van de waarde dat voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen verschilt.
2. Bij het bepalen van het tarief voor gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d, is de verhouding tussen het percentage van de waarde van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en het percentage van de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen gelijk aan de verhouding tussen de waardeontwikkeling van onroerende zaken gelegen in het waterschap die in hoofdzaak tot woning dienen en de waardeontwikkeling van onroerende zaken in het waterschap die niet in hoofdzaak tot woning dienen ten opzichte van de waarde twee jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van dit lid.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel d, wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de heffing ter zake van gebouwde onroerende zaken de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdelen c, h en j, van de Gemeentewet en van waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen die dienen als woning, buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde waarde.
4. Bij de toepassing van het derde lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 22 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL1943
- Conclusie A-G IJzerman 24 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:193
- Rb. Oost-Brabant 24 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:797
- Rb. Amsterdam 19 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5532
- Conclusie A-G Wattel 15 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1235
- Conclusie A-G Moltmaker 17 maart 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AA2698
- Hof Den Haag 9 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1236
- Hof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2187
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:107
- Hof Amsterdam 2 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4224
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3248
- Rb. Rotterdam 27 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5081
- Rb. Noord-Nederland 23 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:887
- Rb. Midden-Nederland 2 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4288
- Rb. Arnhem 17 februari 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP5109
- Rb. Amsterdam 21 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3255
- Rb. Amsterdam 14 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:938
- Rb. Amsterdam 22 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5317
- Rb. Amsterdam 22 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5316
- Conclusie A-G IJzerman 25 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:687