Conclusie A-G IJzerman 24 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:193
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een woning te [Z]. Deze gemeente is gelegen in het gebied van het waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende zowel in 2013 als in 2014 separate aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en watersysteemheffing eigenaren opgelegd. De aanslagen zijn elk op een afzonderlijk aanslagbiljet opgelegd, per jaar volgtijdelijk, eerst ingezetenenheffing daarna eigenarenheffing. Belanghebbende is tegen de aanslagen watersysteemheffing eigenaren 2013 en 2014 opgekomen. Daartoe heeft belanghebbende onder meer gesteld dat sprake is van navorderingsaanslagen die zijn opgelegd zonder dat daaraan een nieuw feit ten grondslag heeft gelegen. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het waterschap op grond van artikel 117 van de Waterschapswet bevoegd is om onder de naam ‘watersysteemheffing’ vier afzonderlijke belastingen te heffen, waaronder een belasting van ingezetenen en een belasting van, met name, eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Het waterschap heft zowel een watersysteemheffing ingezetenen als een watersysteemheffing eigenaren. Nu belanghebbende zowel ingezetene van het waterschap is, als eigenaar van een in het waterschap gelegen woning, is hij volgens het Hof beide belastingen verschuldigd. Deze belastingen worden afzonderlijk geheven. De heffingsambtenaar heeft de keuze de belastingaanslagen op één aanslagbiljet te verenigen. Indien hij daarvoor niet kiest, maar per heffing een aanslagbiljet uitreikt, maakt dat de laatst opgelegde aanslag geen navorderingsaanslag. De belastingaanslag in de watersysteemheffing ingezetenen én de belastingaanslag in de watersysteemheffing eigenaren zijn volgens het Hof beide (gewone) aanslagen, zodat van de oplegging van een navorderingsaanslag geen sprake is. Dat betekent dat het Hof niet toekomt aan de vraag of er een nieuw feit zou zijn dat navordering rechtvaardigt. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013 en de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de onjuiste vermelding van een tarief op de website van het Hoogheemraadschap zonder gevolgen blijft voor de geldigheid van de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2013. Belanghebbendes overige grieven inzake onjuiste bekendmaking, motivering en geschonden hoorplicht, heeft het Hof eveneens ongegrond verklaard. Het Hof heeft zich onbevoegd geacht om te beslissen op belanghebbendes verzoek om schadevergoeding als gericht tegen de Staat. Ten slotte heeft het Hof de volgende verzoeken van belanghebbende afgewezen: ongeanonimiseerde verstrekking en publicatie van de Hofuitspraak, veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Belanghebbende is tegen de Hofuitspraak opgekomen in cassatie, onder aanvoering van dertien middelen, welke met name behelzen dat de voornoemde oordelen van het Hof thans worden voorgelegd aan de Hoge Raad. De A-G meent, mede in het licht van de wetsgeschiedenis van de waterschapsheffingen, dat (ook) thans onder de watersysteemheffing meerdere heffingen kunnen worden geheven, zoals in casu van belanghebbende als ingezetene en als eigenaar van een onroerende zaak; al dan niet verenigd op één aanslagbiljet, ter keuze van de heffingsambtenaar. Het eerste middel faalt. In het twaalfde middel klaagt belanghebbende erover dat het Hof ten onrechte een dubbel griffierecht ad € 246,- heeft geheven en belanghebbendes bezwaren daartegen heeft genegeerd. De A-G licht toe dat het gaat om watersysteemheffing eigenaren over respectievelijk 2013 en 2014. De Rechtbank heeft per jaar een uitspraak gedaan, maar het Hof heeft een gezamenlijke uitspraak gedaan. Het Hof heeft volgens de A-G wel gerespondeerd door te oordelen: ‘Evenmin ziet het Hof aanleiding de heffingsambtenaar te gelasten de door belanghebbende betaalde griffierechten aan hem te vergoeden.’ Het lijkt de A-G dat het Hof van oordeel is dat er gelet op de in voldoende mate unieke kenmerken van de beide zaken geen sprake is van samenhang in de zin van artikel 8.109 jo. artikel 8:108 jo. artikel 8:41, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu er ten aanzien van beide jaren behalve identieke ook unieke klachten zijn aangevoerd, is dit oordeel, naar de A-G meent, niet onbegrijpelijk te achten, zodat het twaalfde middel faalt. Voorts meent de A-G dat de middelen 2 tot en met 11 en middel 13 evenmin tot cassatie kunnen leiden. Daarin ziet de A-G motiveringsklachten gericht tegen voldoende gemotiveerde Hofoordelen c.q. klachten welke blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, die naar zijn mening kunnen worden afgedaan met artikel 81 RO. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 26 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 81 RO
- Artikel 104 Gw
- Artikel 11 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 25 AWR
- Artikel 15a WVO
- Artikel 18 WVOW
- Artikel 1 Wschw
- Artikel 11 Wschw
- Artikel 113 Wschw
- Artikel 116 Wschw
- Artikel 117 Wschw
- Artikel 119 Wschw
- Artikel 120 Wschw
- Artikel 121 Wschw
- Artikel 122 Wschw
- Artikel 122a Wschw
- Artikel 122b Wschw
- Artikel 129 Wschw