Art. 40 Wlb, Bijzondere begraafplaatsen
1. Voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats wordt slechts de grond gebruikt, die daartoe door de gemeenteraad is aangewezen.
2. Burgemeester en wethouders kunnen maatregelen voorschrijven, welke nodig zijn teneinde de grond geschikt te maken om als begraafplaats te dienen.
3. Indien het kerkgenootschap geen eigenaar van de benodigde grond is, dragen burgemeester en wethouders desgevraagd zorg, dat het kerkgenootschap de grond, mede gelet op de staat, waarin deze ingevolge het tweede lid moet verkeren, op redelijke voorwaarden in eigendom kan verwerven. Kunnen burgemeester en wethouders en het kerkgenootschap niet tot overeenstemming komen, dan bepalen gedeputeerde staten op verzoek van een van hen of beide de voorwaarden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3514
- ABRvS 12 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6414
- ABRvS 14 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO1641
- ABRvS 5 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3659
- ABRvS 26 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD5057
- ABRvS 20 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA7265
- Rb. Haarlem 4 juli 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AY3237
- Rb. Groningen 9 juli 2007, ECLI:NL:RBGRO:2007:BA9741
- Conclusie A-G Ettema 28 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:185
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4816