Art. 31 Wlb, Begraving
1. Artikel 29 geldt evenmin bij het ruimen van graven, voorzover dit geschiedt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
2. Het ruimen geschiedt niet dan op last van de houder van de begraafplaats en na verloop van tien jaar nadat in het graf laatstelijk een lijk is geplaatst, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.
3. De overblijfselen der lijken worden op een begraafplaats ter aarde besteld of, met overeenkomstige toepassing van het gestelde in artikel 29, derde lid, in een crematorium gecremeerd.
4. Gedeputeerde staten kunnen besluiten de in het tweede lid genoemde termijn te verlengen. Het besluit treedt terstond in werking.
5. Ten minste twee maanden voordat een graf van een onbekende wordt geruimd, geeft de houder de burgemeester daarvan kennis. De burgemeester is bevoegd, uitsluitend ten behoeve van de identificatie van de onbekende en opsporing van vermiste personen, van de overblijfselen van de onbekende door of onder verantwoordelijkheid van een arts lichaamsmateriaal af te doen nemen of een gebitsstatus te doen opmaken. Indien de burgemeester van die bevoegdheid gebruik maakt, wordt de ruiming opgeschort, ten minste tot het moment dat de uitslag van de poging tot identificatie bekend is, waarna een nabestaande in de lijkbezorging voorziet dan wel de ruiming kan worden voltooid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:866
- ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2199
- ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0474
- Rb. Roermond 29 april 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM3501
- Rb. Roermond 19 september 2005, ECLI:NL:RBROE:2005:AU2953
- Rb. Amsterdam 23 december 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9264
- Conclusie A-G Lindenbergh 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1130
- Conclusie A-G ILSINK 28 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE1119