Rb. Roermond 29 april 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM3501
Trefwoorden: Wet op de lijkbezorging (Wlb). Belanghebbende. Belangenafweging. Motiveringsgebrek. Samenvatting: De rechtbank overweegt dat eiseres eigenaar en beheerder van de begraafplaats is en dat de aan de weduwe verleende vergunning het zakelijk recht van eiseres en haar taak van beheerder raakt. Reeds om die reden is eiseres naar het oordeel van de rechtbank als belanghebbende aan te merken. De rechtbank is -anders dan in de civiele procedure is geoordeeld- van oordeel dat in het onderhavige geval een vergunning op grond van de Wlb is vereist, nu het stoffelijk overschot niet verplaatst kan worden zonder het op te graven. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de besluitvorming en bij de belangenafweging een belangrijk aspect buiten beschouwing heeft gelaten, namelijk het feit dat de gedenksteen geplaatst kan worden op de plek waar het lichaam thans begraven ligt, zodat het alsdan recht onder de gedenksteen begraven zal zijn. Het door de weduwe aangevoerde belang dat zij ernstige psychische en emotionele problemen ondervindt als haar echtgenoot niet recht onder de gedenksteen begraven ligt, komt dan ook geen gewicht toe. Verweerder heeft de psychische en emotionele problemen van de weduwe van doorslaggevend belang geacht bij het nemen van het bestreden besluit. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat de weduwe te kampen heeft met emoties als gevolg van de ontstane situatie, is zij van oordeel dat het niet tot verweerders deskundigheid behoort om op grond van eigen waarneming een standpunt in te nemen over mogelijk psychische problematiek van betrokkene.
De uitspraak op rechtspraak.nl