Art. 28 Wlb, Begraving
1. Een uitsluitend recht op een graf, welke vorm aan dit recht ook wordt gegeven, kan uitsluitend schriftelijk worden gevestigd. Het recht kan voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd van ten minste tien jaar worden verleend. Het voor bepaalde tijd verleende recht wordt op verzoek, mits gedaan binnen twee jaar voor het verstrijken van de termijn, telkens verlengd, met dien verstande dat de houder van de begraafplaats kan bepalen dat een periode van verlenging niet korter is dan vijf jaar en niet langer is dan twintig jaar. Het uitsluitend recht op een graf is geen registergoed.
2. Binnen een jaar na de aanvang van de termijn waarin verlenging van het recht kan worden verzocht doet de houder van de begraafplaats aan de rechthebbende wiens adres hem bekend is, schriftelijk mededeling van het verstrijken van de termijn en van het bepaalde in het eerste lid.
3. Indien niet binnen drie maanden na verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, om verlenging van het recht is verzocht, maakt de houder van de begraafplaats de mededeling bekend bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats, tot het einde van de periode waarvoor het recht was gevestigd.
4. In geval van kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de plicht tot onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen in een schriftelijke verklaring, die hij toezendt aan de rechthebbende, die binnen één jaar na ontvangst in het onderhoud voorziet.
5. Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, niet bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de verklaring bekend bij het graf en bij de ingang van de begraafplaats, gedurende een periode van vijf jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien.
6. Indien toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid en niet alsnog in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf op het moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het vierde respectievelijk vijfde lid, is verstreken.
7. Indien het recht op het graf nog geen tien jaar is gevestigd op het moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken, blijft de bekendmaking in stand totdat de periode van tien jaar is verstreken dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voordien in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf zodra de termijn van tien jaar is verstreken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160
- HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1070
- Conclusie A-G Jörg 22 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1760
- HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6999
- Rb. Zwolle-Lelystad 31 januari 2007, ECLI:NL:RBZLY:2007:BA5076
- Rb. Limburg 6 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5397
- Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense 25 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE6999
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:10136
- ABRvS 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4086
- ABRvS 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2234
- ABRvS 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4625
- Rb. 's-Gravenhage 28 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6640
- Rb. Overijssel 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3921
- Rb. Oost-Brabant 7 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:981
- Rb. Noord-Nederland 30 maart 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1132
- Rb. Limburg 13 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10161
- Rb. Limburg 2 december 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9484
- Rb. Den Haag 5 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13279
- Rb. Arnhem 12 mei 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ4438
- Rb. Amsterdam 28 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1826