Art. 47 Werkloosheidswet, De hoogte van de uitkering
1. De uitkering op grond van deze wet bedraagt per kalendermaand: Hierbij staat: A voor het maandloon; B voor het inkomen in een kalendermaand; C voor het dagloon; D voor het dagloon waarnaar de uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag; en E voor het inkomen in verband met arbeid.
a. 0,75 x (A – B x C/D) – E over de eerste twee maanden waarin recht op een uitkering bestaat; en
b. 0,7 x (A – B x C/D) – E vanaf de derde maand waarin recht op een uitkering bestaat.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen in verband met arbeid, bedoeld in het eerste lid wordt verstaan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Noord-Nederland 8 juli 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2606
- Rb. Noord-Nederland 2 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1145
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5191
- Rb. Zeeland-West-Brabant 8 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6248
- Rb. Noord-Nederland 5 december 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:5068
- Rb. Middelburg 29 maart 2005, ECLI:NL:RBMID:2005:AT3170
- Rb. Groningen 14 januari 2010, ECLI:NL:RBGRO:2010:BL0983
- CRvB 2 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:885
- CRvB 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2081