Rb. Noord-Nederland 2 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1145

De uitkeringsgerechtigde, die vanuit een werkloosheidssituatie recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet (ZW) moet op grond van artikel 1:1, vierde lid, van het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) als een (doorlopende) reguliere WW-uitkering worden beschouwd. Volgens artikel 3:5, vierde lid, van het AIB wordt voor de WW onder meer als inkomen in verband met arbeid beschouwd: "een uit dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd". Hieronder valt ook het prepensioen. Nu het prepensioen als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd, dient het in mindering te worden gebracht op en dus verrekend te worden met de ZW-uitkering. Het prepensioen van eiser valt niet onder de uitzondering van artikel 3:5, vijfde lid, van de AIB.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken