Art. 4:126 BW, Giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten
1. Een schenking of andere gift wordt, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in dit Boek is bepaald betreffende inkorting en vermindering aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. In afwijking van de artikelen 87 lid 2 en 120 lid 3 komt de schenking of andere gift, indien daarbij niet anders is bepaald, als laatste voor inkorting en vermindering in aanmerking. Kan de schenking of andere gift tot aan het overlijden van de schenker of gever worden herroepen, dan mist de tweede zin toepassing.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op:
a. een beding dat een goed van een der partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan, voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden van degene aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid van het beding geldt niet als tegenprestatie;
b. een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die door het overlijden van de verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een gift geldt;
c. een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare, voor zover deze de strekking heeft dat de verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen, en deze verbintenis niet reeds tijdens diens leven is nagekomen.
3. De artikelen 66 en 68 zijn van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643
- HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:437
- Hof Amsterdam 27 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8650
- Rb. Limburg 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7988
- Conclusie A-G Lückers 3 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:472
- Hof 's-Hertogenbosch 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2396
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6788
- Rb. Noord-Nederland 2 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:881
- Conclusie A-G IJzerman 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:188
- Conclusie A-G Wuisman 9 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM7043
- HR 14 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1687
- HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1339
- Hof Den Haag 21 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2339
- Hof Den Haag 2 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:553
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10950
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9858
- Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5299
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:768
- Rb. Zwolle-Lelystad 10 december 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BP0203
- Rb. Zwolle-Lelystad 16 juni 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN3675