Art. 4:124 BW, Legaten
Burgerlijk Wetboek Boek 4 (BW4)
Tenzij de erflater anders heeft beschikt, heeft een legataris aan wie een bepaald goed der nalatenschap of het vruchtgebruik van een zodanig goed, van de gehele nalatenschap of van een aandeel daarin is vermaakt, recht op uitkering van de vruchten van het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering opeisbaar is geworden. De rechtsvordering tot uitkering van deze vruchten verjaart door verloop van drie jaren nadat zij zijn geïnd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Valk 20 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1188
- Rb. Noord-Nederland 4 september 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3615
- Rb. Noord-Holland 5 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:648
- Hof Den Haag 14 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2464
- Hof Den Haag 1 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1225
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2986