Hof Den Haag 1 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1225
Belanghebbende is erfgenaam in een nalatenschap waartoe een aanmerkelijk belang in een BV behoort. De aandelen in de BV zijn gelegateerd en in het testament is bepaald dat de vruchten op de aandelen vanaf de dag van het overlijden toekomen aan de legatarissen. Op de aandelen in de BV is na het overlijden van erflaatster dividend beschikbaar gesteld, waarop de BV dividendbelasting heeft ingehouden en afgedragen. Belanghebbende heeft een bedrag aan dividendbelasting als te verrekenen voorheffing opgenomen in haar aangifte IB/PVV. In geschil is of de Inspecteur het bij de primitieve aanslag als voorheffing in aanmerking genomen bedrag aan dividendbelasting terecht heeft nagevorderd. Verder is in geschil of de hoorplicht is geschonden. De legatarissen hebben op grond van artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een vorderingsrecht jegens de erfgenamen verkregen. De legatarissen zijn door de levering van de aandelen door de erfgenamen op 17 maart 2015 eigenaar geworden van de aandelen. Aangezien wel reeds vanaf de overlijdensdatum de vruchten van de aandelen aan hen toekwamen, waren de legatarissen gerechtigd tot deze opbrengst van de aandelen. Dat geldt voor de dividenduitkering van 16 februari 2015, maar ook voor de dividenduitkeringen van 7 mei en 27 november 2015. De dividendbelasting is derhalve van de legatarissen geheven en niet van de erfgenamen. De omstandigheid dat de dividenduitkeringen die betrekking hebben op de periode tot overlijdensdatum zijn verrekend met een rekening-courantschuld van erflaatster aan de BV, brengt niet mee dat belanghebbende wel gerechtigd was tot deze dividenduitkeringen. Belanghebbende kan, nu zij niet gerechtigd is tot de dividenden, de daarop ingehouden dividendbelasting niet als voorheffing verrekenen. Verder is er geen sprake van schending van de hoorplicht. De omstandigheid dat de gemachtigde om hem moverende redenen heeft afgezien gebruik te maken van de uitnodiging voor het hoorgesprek, leidt niet tot schending daarvan. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl