Art. 48 WOR, Overgangs- en slotbepalingen
Wet op de ondernemingsraden (WOR)
1. De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement, voor zover nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die bevoegdheid uitoefent. De vereniging of verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, worden over het voorlopige reglement gehoord.
2. Ten aanzien van het voorlopige reglement is artikel 8, eerste lid, eerste en tweede volzin en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Het voorlopige reglement vervalt op het tijdstip waarop de ondernemingsraad het in artikel 8 bedoelde reglement heeft vastgesteld.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Utrecht 3 april 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9988
- Rb. Amsterdam 10 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6775
- Hof Den Haag 12 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1094
- Rb. Utrecht 3 april 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BI0622
- Rb. Utrecht 3 april 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9974
- Rb. Utrecht 3 april 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9966
- Rb. Rotterdam 14 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10878
- Rb. Noord-Holland 28 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9545
- Rb. Limburg 30 juni 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:6022
- Rb. Den Haag 10 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13387