Rb. Limburg 30 juni 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:6022
Kort geding ex artikel 254 Rv, aanhangig gemaakt door de Bijzondere Ondernemingsraad (BOR). De BOR vordert schorsing van het besluit van de ondernemer waarbij het aantal zetels van de Ondernemingsraad op elf leden is bepaald (‘eerste onderdeel besluit’). Tevens vordert de BOR schorsing van het besluit van de ondernemer waarbij is bepaald dat het OR Zorgbedrijf Volwassenen vier vertegenwoordigers zal hebben binnen de Centrale Ondernemingsraad (‘tweede onderdeel besluit’). Advies- en bemiddelingspoging van Bedrijfscommissie Markt II heeft geen resultaat opgeleverd. Alhoewel de verkeerde procedure (dagvaardingsprocedure en geen verzoekschriftprocedure ex artikel 36 WOR) aanhangig is gemaakt, wordt er (na nog een ander ontvankelijkheidsverweer te hebben gepasseerd) door de kantonrechter toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. Omdat er één dag na de mondelinge behandeling van dit kort geding OR-verkiezingen gepland staan, is het spoedeisend belang gegeven. Het eerste onderdeel van het besluit wordt geschorst, nu dit in strijd is met de (strekking van de) WOR en (de strekking van) het convenant dat door de voorzitters van de vijf afzonderlijke ondernemingsraden enerzijds en de directie van het zorgbedrijf anderzijds is ondertekend. Het tweede onderdeel van het besluit wordt eveneens geschorst. Hiervoor is van doorslaggevend belang dat de zetels binnen de COR (de Centrale Ondernemingsraad) evenwichtig verdeeld dienen te zijn en een representatieve afspiegeling van de organisatie moeten zijn. De door de ondernemer voorgestane zetelverdeling binnen de COR voldoet daaraan niet. De omstandigheid dat dit vonnis in kort geding zowel juridische als praktische complicaties met zich brengt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Er wordt in het dictum van het vonnis rekening gehouden met het feit dat de BOR een verkeerde procedure aanhangig heeft gemaaakt: de in het dictum uitgesproken schorsingen van de onderdelen van het besluit van de ondernemer (en het verbod aan de ondernemer om uitvoeringshandelingen van het besluit te verrichten) gelden totdat de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, alsnog op een ex artikel 36 WOR ingediend verzoekschrift heeft beslist.
De uitspraak op rechtspraak.nl