Art. 197 Mijnreglement 1964, De luchtverversing in de ondergrondse werken
1. Wanneer de natuurlijke luchtverversing niet voldoende voorziet in de behoefte aan verse lucht als in artikel 195 omschreven, moet zij worden versterkt door tenminste één doelmatige hoofdventilator met doelmatige en veilige energievoorziening.
2. In geval het eerste lid toepassing vindt, moet tevens een doelmatige reserve-hoofdventilator met doelmatige en veilige energievoorziening zijn opgesteld.
3. Een hoofdventilator moet zijn voorzien van een drukmeter, alsmede - behoudens indien deze hoofdventilator onder voortdurend toezicht staat - van een installatie, welke het stilstaan doet blijken.
4. Ondergronds geplaatste ventilatoren, welke dienen om de doorgaande luchtstroom te versterken, moeten doelmatig zijn opgesteld.
5. Onze Minister kan van het in het tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.