Art. 32 LB, Eindheffing
Wet op de loonbelasting 1964 (LB)
1. In afwijking van artikel 31a, eerste lid, kan de belasting die door alle gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtigen is verschuldigd met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, worden bepaald alsof deze inhoudingsplichtigen gezamenlijk één inhoudingsplichtige zijn. Deze belasting wordt aangegeven en afgedragen door de tot het concernverband behorende inhoudingsplichtige met het grootste bedrag aan loon waarover in het kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven.
2. Een inhoudingsplichtige opereert gezamenlijk met een andere inhoudingsplichtige in concernverband, indien gedurende het gehele kalenderjaar: Een inhoudingsplichtige wordt voor de toepassing van het eerste lid eveneens geacht gezamenlijk met een andere inhoudingsplichtige in concernverband te opereren, indien deze inhoudingsplichtigen stichtingen zijn die gedurende het gehele kalenderjaar in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de tweede volzin.
a. de inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige;
b. die andere inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, of
c. een derde voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, terwijl deze derde tevens voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de door iedere inhoudingsplichtige die ingevolge het eerste lid samen met andere inhoudingsplichtigen als één inhoudingsplichtige wordt beschouwd te administreren gegevens ten aanzien van:
a. de berekening van de verschuldigde belasting, bedoeld in het eerste lid;
b. de inhoudingsplichtige die de belasting, bedoeld in onderdeel a, aangeeft en afdraagt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2982
- Conclusie A-G Snijders 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:426
- HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3801
- Conclusie A-G Pauwels 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1422
- Conclusie A-G Niessen 26 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1133
- Rb. Arnhem 8 mei 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG0183
- Conclusie A-G IJzerman 19 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:427
- Conclusie A-G IJzerman 31 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:204
- HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1336
- Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3492
- Rb. Zeeland-West-Brabant 31 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:4673
- Rb. 's-Gravenhage 30 juni 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8284
- Rb. Noord-Holland 31 januari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:545
- Rb. Gelderland 26 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1481
- Conclusie A-G Ettema 29 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:549
- Conclusie A-G IJzerman 13 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1374
- Conclusie A-G IJzerman 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:200
- Conclusie A-G IJzerman 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:199
- Conclusie A-G IJzerman 7 maart 2017, ECLI:NL:PHR:2017:193
- Conclusie A-G Niessen 13 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:957