Art. 3 PSW
Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW)
1. Een werkgever, die voor personen, verbonden aan zijn onderneming, de gelegenheid opent of vóór de inwerkingtreding van dit artikel geopend heeft, tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging, is verplicht met het oog daarop aan de onderneming een spaarfonds te verbinden, dat beantwoordt aan de bepalingen van deze wet.
2. Een werkgever is gehouden ervoor zorg te dragen dat het fonds de bijdragen ontvangt welke voor de uitvoering van de spaarregeling overeengekomen zijn.
3. Indien een werkgever een zodanige regeling heeft getroffen dat de omvang van zijn bijdrage telkens aan het einde van een periode wordt vastgesteld, mag een zodanige periode niet langer dan een jaar duren. Indien de dienstbetrekking van een werknemer tijdens een zodanige periode eindigt, is de bijdrage naar tijdsevenredigheid verschuldigd.
4. Indien een werkgever zich bij de aanvang of wijziging van de spaarregeling de bevoegdheid tot vermindering of beëindiging van zijn bijdrage aan de spaarregeling heeft voorbehouden, is hij verplicht van dit voorbehoud schriftelijk mededeling aan het fonds te doen. Hij kan dit voorbehoud slechts maken voor het geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Wanneer hij voornemens is tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van dit voorbehoud over te gaan, deelt hij dit onverwijld schriftelijk aan het fonds en aan de deelnemers mede.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6384
- Rb. Rotterdam 26 april 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN2712
- Rb. Rotterdam 30 november 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BC1316
- Conclusie A-G Langemeijer 4 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE8320
- Conclusie A-G Mok 28 mei 1993, ECLI:NL:PHR:1993:52
- Hof Amsterdam 27 september 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3860