Art. 496 Sv, Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. De ouders of de voogd zijn verplicht tot bijwoning van de terechtzitting. Zij worden daartoe opgeroepen. Bij de oproeping wordt hun kennisgegeven, dat, indien zij niet aan deze verplichting voldoen, het gerecht hun medebrenging kan gelasten.
2. De verdachte heeft het recht te worden vergezeld door een vertrouwenspersoon die door de rechter geschikt wordt geacht, indien de rechter van oordeel is dat:
a. de aanwezigheid van de ouders of voogd in strijd is met de belangen van de verdachte;
b. na redelijke inspanning is gebleken dat de ouders of voogd niet kunnen worden bereikt of onbekend zijn;
c. de behandeling van de zaak zich tegen aanwezigheid van de ouders of voogd verzet.
3. Indien in het geval, bedoeld in het tweede lid, de verdachte geen vertrouwenspersoon heeft aangewezen of wanneer de rechter de aangewezen persoon ongeschikt acht, wordt de verdachte bijgestaan door een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
4. Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen. In het in artikel 51g, vierde lid, bedoelde geval kunnen de ouders of de voogd vragen stellen aan een getuige of deskundige, maar alleen betreffende de vordering tot schadevergoeding; zij worden in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen die vordering.
5. Niettemin kan het gerecht ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat een verhoor van de verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt, tenzij de zaak in het openbaar wordt behandeld. Het gerecht deelt in dat geval de zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, voor zover niet gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Hofstee 2 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:536
- Rb. Noord-Holland 5 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2515
- Rb. Noord-Holland 10 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14411
- Rb. Noord-Holland 24 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2201
- Rb. Limburg 21 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6775
- Rb. Haarlem 10 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9751
- Conclusie A-G Sinnige 15 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:432
- Conclusie A-G Bleichrodt 13 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:944
- Conclusie A-G Knigge 22 januari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:45
- Conclusie A-G Hofstee 23 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ8170
- Conclusie A-G Wortel 8 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO8370
- Conclusie A-G Keijzer 25 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4300
- HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1958